Honden – 21 mei 2013

Honden

In de periode dat ik nog bij mijn ouders woonde, hebben we twee keer een hond gehad. De eerste was een boxer die (niet) luisterde naar de naam Bobby. Bobby sleepte je lekker mee, maar sleepte ook boomstammen mee naar huis die hij weigerde los te laten. Dan werd hij in de bijkeuken gestopt en gingen we kijken of de boomstam al vergeten in een hoekje lag. Maar op het moment dat dan de deur werd open gedaan, vloog Bobbie opnieuw naar zijn boomstam en wilde zijn prooi mee naar zijn mand nemen. Hij had gelukkig geen geknipte oren, maar hij was in staat zijn oren zo meesterlijk naar beneden te laten hangen om je dan met zijn kop schuin aan te kijken, dat je werkelijk smolt.
Bobbie ging naar een boerderij toen mijn moeder lichamelijk niet meer in staat was hem uit te laten en mijn vader, zus en ik hele dagen naar werk of school waren.

Toch kwam er opnieuw een hond. Dit keer een rashond, een Welsh Springer Spaniel met de stamboomnaam Bjerk Hiemings Tobias. Daar hebben we meteen Basje van gemaakt. Basje was geweldig. Hij was vrolijk, sleepte complete boompjes mee naar huis (Wat is dat toch met honden, dat ze altijd van alles mee willen slepen?) en was zeer verknocht aan mijn moeder.

Toen ze zo ziek werd, dat ze bijna hele dagen op bed lag, wilde hij niet meer bij haar vandaan.
Net of hij voelde dat hij haar moest beschermen. Hij ging zo tekeer als hij bij haar weg moest, dat het niet te verdragen was. Hij wist al meer dan wij op dat moment….
Er was geen andere mogelijkheid dan hem naar het asiel te brengen. Toen hij een week weg was, overleed mijn moeder. Gelukkig is hij al heel snel terecht gekomen bij hele lieve mensen die hem nog jaren bij zich hebben gehad… Maar een hond heb ik nooit meer gewild. Daar zaten te veel pijnlijke herinneringen aan. Jan en ik hebben dus al bijna ons hele getrouwde leven poezen in huis.
Het zijn mijn kameraadjes en ik heb er een geweldige uitlaatklep aan.

Vandaag wil ik toch afsluiten met iets over een hond, namelijk met een gedicht van de Schoolmeester over een hond wat mij een glimlach op de lippen bracht. Zo herkenbaar..

De Hond

Een hond is vermaard
Om zijn gezellige aard

En ’t kwispelen van zijn staart.
Zijn neus, doorgaans rond,
Staat gewoonlijk in ’t front,
En zo lang die maar nat en fris is,
Is ’t een bewijs, dat menheer zo gezonds als een vis is.

Een hond is iemand, die van zijn baas bijzonder veel houdt,
Die hij, om zo dikwijls te spreken, als zijn derde vader beschouwt,
En die hem dikwijls een hele boerenwoning toevertrouwt,
Waar hij door zijn blaffen bedelaars en dieven van daan weet te jagen,
En de post van portier waarneemt, zonder er ooit geld voor te vragen.

Als een haas niet op zijn tellen past,
Wordt hij dikwijls door een hond verrast;
Doch een hond loopt er ook wel tegen aan,
Als men hem in de hondsdagen uit laat gaan.

Menig een blinde hond
Is verdronken, omdat hij geen zwemmen verstond:
Doch zodra zij dit verstaan,
Kan men ze gerust uit baaien laten gaan.

Honden zijn dol op kalfslever en benen;
Doch, volgens Esopus, loopt er zo dikwijls een derde mee henen.
Ook nuttigt een hond met pleizier water en droog brood:
Doch een pak slaag, daar heeft hij een broer aan dood.
Het opzetten is ook iets, daar hij niets om geeft,
Als het maar niet begonnen wordt, terwijl hij nog leeft.

Ook blaffen honden niet langer, als ze eenmaal dood zijn;
Anders zou het leven op een hondenkerkhof te groot zijn

Tot de volgende keer!

2 gedachten over “Honden – 21 mei 2013”

  1. wat een ontroerend verhaal, Riet……:-)

    de eerste hond van mijn ouders was ook een boxer en die heette Bobbert…….ik ken hem niet, heb wel een foto van hem

    1. Hoi Aleid, ik weet nog precies hoe het gimg. Mijn vader ging vissen en mijn moeder ging mee en toen ze thuis kwamen waren ze langs de dierenzaak gereden en zat er een klein jankend boxertje in een mand in de keuken. Die mand had hij trouwens binnen de kortste keren met de grond gelijk gemaakt. Het was een prachtige hond. Basje trouwens ook, zo vreselijk trouw..

Geef een reactie: